Met Esmee op reis

Multiculti Maleisie

Maleisie, het zevende en laatste land van mijn reis. Met een dubbel gevoel ben ik begonnen met typen. Dubbel, omdat ik weet dat dit het laatste reisverslag zal zijn en ik aan het einde niet meer zal vooruitblikken naar het grote onbekende, maar weer naar het oude vertrouwde Nederland. Allebei heeft het zo zijn voor- en nadelen. Ik zag eerst heel erg tegen het grote onbekende op, omdat ik niet wist waar ik aan zou beginnen. Maar al snel had ik door dat het onbezorgder en avontuurlijker was dan het oude vertrouwde en als ik nu terugblik, kan ik beamen wat de meeste mensen zeggen: 'Het is de tijd van je leven.'

Reizen en vakantie vieren, twee dingen waarvan ik nu weet dat ze niet met elkaar te vergelijken zijn. Van het thuisfront kreeg ik vaak te horen of ik het niet zat was om weer op een strand te liggen. Maar vaak ging er heel wat aan vooraf om op zo'n strand te komen. Van A naar B reizen aan deze kant van de wereld is niet al te moeilijk, maar vergt een hoop geduld. In Nederland stap je in de trein en als de NS meewerkt , ben je zo op de plek van bestemming. Om weer in een andere plaats of land te komen zijn wij soms wel eens 18 uur bezig geweest en dat was helaas vaker regel dan uitzondering. In deze uren moesten we gerust een paar keer overstappen, met een beetje pech van boot naar bus naar boot naar bus en dat niet overdag maar vaak midden in de nacht, zorgen dat we niet afgezet werden door een Tuk-Tuk chauffeur, sjouwen met veel te zware tassen in gemiddeld zo'n 35 graden en tot slot zoeken naar een hostel en weer proberen om niet afgezet te worden. Maar we wisten elke keer weer dat de beloning groot zou zijn als we de gewenste plek van bestemming zouden bereiken en het vakantie vieren kon weer beginnen als we op dat mooie witte zandstrand lagen. En vervolgens niet weten wat de volgende dag voor je in petto had, zorgde ervoor dat het nooit saai werd. Als we het onbekende ontdekt hadden, was het tijd voor een volgende plek. Zo heb ik de kans gehad om ontzettend veel mooie dingen te zien, nieuwe culturen te ontdekken en heel veel leuke mensen te leren kennen.

Alle ervaringen die ik eerder al heb beschreven, hebben veel indruk op me gemaakt en me doen beseffen dat we het helemaal zo slecht nog niet hebben in Nederland. Het is leuk om in al deze landen te zijn zolang je uit het westen komt, geld hebt en aan het reizen bent, maar de meerderheid van de bevolking leeft nog altijd in armoede en zijn zelf nog nooit buiten hun stad of dorp geweest. Als je je bedenkt dat een serveerster op Bali gemiddeld 80 euro per maand verdient voor 10 uur werken op een dag en twee dagen vrij per maand, dan kun je veel beter in Nederland wonen en werken en geld sparen om als toerist naar andere mooie landen te gaan.

Ik ben blij dat we in Laos begonnen zijn en zijn geeindigd in Maleisie. Op de plekken waar wij geweest zijn in Maleisie hebben we minder armoede gezien dan in bijvoorbeeld Laos. Maleisie is veel meer ontwikkeld. Dat zorgt er hopelijk voor dat het verschil met Nederland voor mij straks niet zo groot is. Kuala Lumpur is echt een wereldstad en multicultureler dan een gemiddelde vrijdagavond op de Lijnbaan in Rotterdam. De overgrote meerderheid is moslim en dat was te merken aan de vele gekleurde hoofddoeken die we voorbij hebben zien komen. In combinatie met alle Chinezen en Indiers was het een kleurrijke boel. In Singapore en Bangkok had ik al veel dure winkels in shopping malls gezien, maar Kuala Lumpur doet daar nog een schepje bovenop. Een pretpark met achtbanen in een winkelcentrum is hier heel normaal. En van het openbaar vervoer kan Nederland zeker nog wat leren. Er zijn enorm veel metrolijnen die weer aansluiten op een monorail of een trein en dat allemaal zonder (al te veel ) vertraging. Voor twee euro reis je de hele stad door. Ideaal. In Kuala Lumpur hebben we Ruth weer gezien, die we al ontmoet hadden in Chiang Mai en waarmee we gereisd hebben tot in Laos. Het was super leuk om de laatste dagen in Azie samen met haar door te brengen. Toevallig wilde ze na Kuala Lumpur ook naar de Perhentian Islands die boven de Noordoostkust van Maleisie liggen. We hadden al veel mooie eilanden gezien, maar op Perhentian Kecil, dat klein eiland betekent en waar wij geslapen hebben, waanden we ons even in een aflevering van expeditie Robinson. Maar dan met iets meer faciliteiten. Elektriciteit is er heel schaars. Op ons resort viel de elektriciteit een paar keer per dag uit en andere resorts zetten de generatoren overdag uit om stroom te sparen voor de avond. ATM's zijn er niet, dus je moest zorgen dat je genoeg geld bij je had anders moest je het eiland verlaten. Een taxiboot is het enige vervoersmiddel dat ze kennen. Op het eiland zelf kon je de andere kant alleen bereiken door te lopen. De enige bar op het eiland is de Black Tip bar, waar alcohol bijna niet te betalen is, omdat het een zwaar Islamitisch eiland is. Iedereen dronk daarom Monkey Juice, een lokaal brouwsel dat gemixt met cola prima te drinken is. Als je naar het toilet moest, moest je de jungle of de zee in. Dat heeft nog voor een paar spannende tochten gezorgd. Levensmiddelen zijn duur op het eiland, maar duiken en snorkelen daarentegen is het goedkoopste in heel Zuidoost-Azie. Voor een duik betaalde ik maar 16 euro en voor een hele dag snorkelen betaalden we 7,50 euro. Het eiland was perfect om lekker bij te komen. We hadden dan ook niet veel keus, want er was buiten snorkelen en duiken om niets te doen. We zijn er een week blijven hangen en zijn toen teruggegaan naar Kuala Lumpur. Hier hebben we afscheid genomen van Ruth. Onze laatste dagen hebben we doorgebracht in Kuala Lumpur en Melaka, een stadje op twee uur afstand van Kuala Lumpur dat in de 16e eeuw 150 jaar bezet is geweest door de Nederlanders. Dankzij de molens, het Stadhuys, het Heeren house en het Dutch Square kon ik alvast weer een beetje aan thuis wennen.

We hadden geen zin meer in vieze matrassen of gedeelde douches en besloten daarom het laatste weekend in Kuala Lumpur ons laatste budget erdoorheen te jagen door een luxe hotel te boeken. Dat Maleisie een multicultureel land is, werd net ook weer bevestigd bij het ontbijtbuffet. Het was bijna geen ontbijt meer te noemen. Ze hadden van alles, van loempia's, tot rijst, dim sum, curries, croissantjes, muffins, french toast en noodles. Ik stond tussen vrouwen met burka's en Chinezen mijn broodjes te smeren. Ik zit nu op onze hotelkamer, te genieten van het uitzicht over de stad en de afgelopen maanden te overdenken. Ik wil jullie bedanken voor het lezen van mijn verhalen, zo zijn jullie toch een beetje onderdeel geweest van mijn reis. Voor mij zijn mijn verhalen een mooie herinnering en de reacties die ik heb gekregen maken die herinnering nog specialer. Mijn backpack ligt klaar om voor de laatste keer ingepakt te worden. Over een paar uur vlieg ik naar huis. Het was een bijzondere en mooie tijd, maar na zeven maanden heb ik ook wel weer zin om naar huis te gaan. Zin om mijn lieve familie en vrienden en vriendinnen weer te zien, in mijn eigen bed te slapen, te fietsen langs de Amsterdamse grachten, een glas melk te drinken, een andijviestamppot te eten, weer een kledingkast te hebben, geen moeite meer te hoeven doen om iets voor elkaar te krijgen, niet meer te hoeven onderhandelen en niet meer op een budget te hoeven leven. Als Nederland nou de Aziatische prijzen gaat hanteren en het Aziatische klimaat overneemt, dan zal je mij nooit meer horen klagen over ons fijne kikkerlandje ;-)

Tot snel!

Witte koeien en Allah Akbar

'Zijn daar weer olifanten en tempels?', vroeg mijn vader op Whatsapp. Nu hebben we inderdaad veel olifanten en tempels gezien. Dus was het de hoogste tijd voor een nieuwe cultuur en omgeving: Indonesie. Olifanten en tempels zijn overal in Zuidoost-Azie, maar Indonesie heeft ook hele andere dingen te bieden dan het rijtje landen waar we hiervoor geweest zijn. We waren er tien dagen. Veel te kort, maar lang genoeg om met zekerheid te zeggen dat ik er ooit nog eens terugkom.

Op 18 april vlogen we in alle vroegte na 3 uur slaap van Phuket naar Bali. Het leven op straat was al in volle gang. Overdag is het veel te warm om iets te doen en zie je overal mensen op straat hangen of slapen. 's Nachts vinden de meeste activiteiten plaats of 's ochtends heel vroeg, het is maar net hoe je het bekijkt. Het was vrij druk op de weg, maar onze taxi was ruim op tijd op het vliegveld. In het vliegtuig riep de stewardess informatie om in het Engels en het Thais en dat laatste had ze beter achterwege kunnen laten. Er zat geen enkele Thai in het vliegtuig, alleen maar Westerse mensen. Daar ging even de hoop dat Bali anders zou zijn dan sommige Thaise eilanden, waar het soms zo Westers is dat je denkt dat je aan de Middellandse Zee ligt in plaats van aan de Thaise Golf. Gelukkig heeft Bali toeristen veel te bieden en ligt alles erg verspreid omdat het eiland 5561km² groot is. Bij aankomst pakten we een taxi naar het kustplaatsje Seminyak in het zuiden. Het bleek iets lastiger te zijn om een slaapplek te vinden dan in de andere landen. We zagen geen straten met hostels of locals die naar ons schreeuwden of we een kijkje wilden nemen bij hun hostel, maar veel meer verscholen resorts en hotels. Uiteindelijk kwamen we aan bij een nieuw hotel (altijd goed) met promotieprijzen (nog beter) vlakbij het strand (extra bonuspunten). De promotieprijs was 30 dollar per nacht en toen moesten we wel even slikken. De standaard ligt op Bali duidelijk hoger dan in bijvoorbeeld Laos, waar je voor 6 dollar per nacht met z'n tweeen onderdak hebt. Seminyak bleek gelukkig niet heel representatief, want de volgende dag in Ubud betaalden we de helft. Seminyak staat bekend om haar goede restaurants en bij wat navraag bleek het beste restaurant Made's Warung te zijn. We hadden nog geen vergelijkinsmateriaal, maar de saté, gado gado en de nasi en mie goreng waren inderdaad heerlijk. Op de kaart stond ook het welbekende gerecht 'rijsttafel'. De Nederlanders hebben duidelijk hun sporen achtergelaten. Wel meer woorden kwamen ons bekend voor, zoals gratis, dokter, notaris en gang (hier gebruikt om een steegje aan te duiden). In Seminyak maakten we voor het eerst kennis met de Indonesische vriendelijkheid. Mensen waren soms zo vriendelijk dat ik in het begin dacht: 'Wat moet die persoon van me?' Maar ik ben er nu achter dat dat typisch iets voor deze cultuur is. Het is heel normaal om iemand die je niet kent niet alleen te groeten, maar ook te vragen hoe het gaat, wat je naam is, hoe oud je bent, of je kinderen hebt en hoe het met je familie gaat. Ik ben er inmiddels aan gewend en ik kan niet wachten om het in Nederland uit te proberen. Uiteraard waren er ook veel Balinezen bij die iets wilden verkopen, maar vaak waren ze gewoon alleen maar vriendelijk. Een andere fijne bijkomstigheid was dat elke Balinees die met toeristen in aanmerking komt, Engels spreekt. Niet heel bijzonder misschien, maar wel een verademing na de vele handen-en-voeten gesprekken in de de vorige landen.

Nu lijkt het een promotiepraatje voor Indonesie te worden en ik vrees dat het dat ook wordt. Het enige negatieve was de gelovige wekker om 5 uur 's ochtends, maar daarover later meer.

De eerste taxichauffeur in al die maanden die ons verstond was Dewa, die ons voorstelde om ons het eiland te laten zien tegen een prijs die we zelf redelijk vonden. Hij woonde al heel zijn leven op Bali en kon ons daar mooi over vertellen. De volgende dag stond hij op de afgesproken tijd klaar om ons naar Ubud te brengen, een enorm populair cultureel verantwoord plaatsje in het binnenland van Bali. Ubud is mede populair geworden door de film Eat, Pray, Love, waar Julia Roberts in een scene langsgaat bij de medicijnman Ketut Liyer. Deze Ketut bestaat echt en hij is inmiddels heel rijk geworden van alle toeristen die bij hem langsgekomen zijn voor een consult. Ketut hebben we niet bezocht in Ubud, maar wel de prachtige rijstvelden, het apenbos waar honderden Macaques in het wild leven en één van de vele spa's, want onze ruggen hadden natuurlijk een goede massage verdiend na al het sjouwen met de backpacks. We hebben het zo zwaar. We sliepen in een homestay, waar 's ochtends het onbijt werd klaargemaakt door de neef van de eigenaar. Hier maakten we voor het eerst kennis met de jaffle, een hele dikke pannekoek met een hartige of zoete vulling naar keuze. Het was in ieder geval een goede bodem om onze tocht voor te zetten.

Na twee dagen stond Dewa weer klaar om ons met wat leuks stops onderweg naar Amed in het oosten van het eiland te brengen. Dit keer had hij zijn lieve vrouw Rati meegenomen om hem te vergezellen op de terugweg. Ze sprak geen woord Engels maar ze moest wel glimlachen om alles wat je zei. De eerste stop was één van de grootste rijstterrassen van Bali. Een interessant systeem. Elk terras wordt voorzien van water dat trapsgewijs naar beneden stroomt. Het was voor Rati ook de eerste keer in haar leven dat ze het zag. Na heel wat foto's gingen we verder richting de vulkaan Gunung Batur. Vanaf een afstandje dan, want 1717 meter de lucht in zat niet bij de tour inbegrepen. Op een gegeven moment stopte Dewa midden op de weg: er was een Hindoe ceremonie bezig. Tientallen mannen en vrouwen met kinderen op hun schoot zaten geknield op de weg in afwachting van wat heilig water op hun hoofd en de heilige witte koe die ze even aan mochten raken. Nieuwsgierig dat we waren gingen we er middenin staan en al onze vragen werden beantwoord. De rijstkorrels op de voorhoofden was om de Hindoe goden te danken voor het vruchtbare land. Ze brachten offers in mandjes, zoals bloemen en munten om de slechte geesten te verjagen en de goede geesten te eren. Het was een kleurrijk en gezellig geheel en de kinderen deden vrolijk mee. Bijzonder om te zien. 93 procent van de Balinezen is Hindoe. Toch is Indonesie het grootste Islamitische land ter wereld. Daar kwamen we later pas achter. Eerst gingen we naar Amed.

Aan het einde van de middag kwamen we aan in Amed. Mijn duikinstructrice in Thailand had gezegd dat je vlakbij Amed in Tulamben prachtig kon duiken en vanaf Amed konden we makkelijk de oversteek maken naar de Gili Islands naast Lombok. Dewa was zo aardig om eerst te helpen zoeken naar een duikschool en daarna pas een accomodatie. Hij wilde natuurlijk dat ik zou duiken bij één van zijn vrienden, zodat hij ook nog wat commissie zou kunnen vangen. Maar jammer voor Dewa zagen we op de weg naar Amed al borden langs de kant van de weg van een Nederlandse duikschool. Jukung Dive bood niet alleen duiken aan, maar had ook vier schitterende kamers. De deal is dat als je gaat duiken, kunt slapen voor een prikkie, dus dat hebben we natuurlijk gedaan. De volgende dag ging ik duiken bij het USAT Liberty scheepswrak, in 1942 gebombardeerd door de Japanners. Het 120 meter lange scheepswrak ligt vlakbij de kust en is bijna nog helemaal intact. Ik ben nog maar een beginner, dus ik vind alles even mooi maar het schijnt een hele bijzondere duikspot te zijn. Na wat angstige momenten en veel extra luchtverbruik ben ik zelfs het schip ingegaan met de gids. Dat was zeker de moeite waard, want ik heb echt schitterende dingen gezien.

Na twee nachtjes slapen in Amed was het helaas tijd om Bali te verlaten en pakten we de speedboot naar Gili Trawangan, één van de drie kleine Gili Islands. Op aanraden van meerdere mensen mochten we de Gili Islands niet overslaan. En daar hebben we zeker geen spijt van gehad. We waren aanbeland in een paradijsje, waar geen auto's rijden maar paard en wagen. Waar geen politie is, maar een dorpshoofd om de lieve vrede te bewaren. Waar geen betonnen flats staan, maar kleine bungalows of homestays. Waar geen grote ketens zijn, maar kleine winkeltjes. De relaxte eiland-modus werkte aanstekelijk en we waren snel gewend aan de kunst van het niets doen; alleen een beetje snorkelen bij het turtle point, luisteren naar lokale reggaemuziek, rondjes over het eiland fietsen, en nasi eten op het strand of op de markt waren de activiteiten van de dag. Slapen deden we ook deels op het strand, want op onze kamer kwamen we daar nauwelijks aan toe. Op Gili Trawangan zijn bijna geen Hindoes maar Moslims en dat hebben we geweten. We sliepen in een goedkope homestay en werden elke nacht om 5 uur wakker gemaakt door een bijzondere wekker: de valse schelle zangnoten uit de luidspreker van de moskee. En niet zachtjes, maar zo hard dat het geluid door mijn oordoppen heen kwam. Allah Akbar was het enige dat ik kon verstaan en ik kan me zoiets voorstellen dat het een oproep is om te bidden voor Allah, maar voor mijn gevoel was het een oproep om toeristen te pesten. Weer in slaap vallen was onmogelijk, want alle hanen op het eiland en weet ik veel wat voor beesten nog meer waren ook wakker en voor de familie naast ons leek 5 uur wel het meest productieve tijdstip van de dag. Het klonk als een kippenslachterij, wat het waarschijnlijk ook was. Nu kunnen we er om lachen en een groot voordeel was dat we tenminste iets aan onze dagen hadden. Want die waren daardoor wel lekker lang. Een paar nachten op Gili Trawangan leken wel weken en ondanks de moskee en de andere nachtelijke geluiden ben ik helemaal uitgerust. Ik kom zeker een keer terug op dit bijzondere eiland.

Onze laatste twee nachten op Bali wilden we weer slapen in Seminyak, want één nachtje in het begin was toch wel erg weinig voor zo'n leuk stadje. Morgen vliegen we naar Kuala Lumpur, de hoofstad van Maleisie. Het laatste land dat ik zal bezoeken voordat ik over twee weken weer terugga naar Nederland. Wat is de tijd snel gegaan!

Eilandhoppen in Thailand

Na Laos, Vietnam en Cambodja waren we de laatste 3,5 weken weer in Thailand. Het land waar het grote avontuur 5,5 maand geleden voor mij allemaal begon. Dit keer waren de Koh's (eilanden) in het zuiden van Thailand aan de beurt. In totaal hebben we erzes gezien en hebben we een tussenstop gemaakt in Bangkok en Hua Hin.

De eerste Koh was Chang, het eiland van de olifanten. We hebben geen olifanten gezien, maar wel een prachtige jungle. Koh Chang is het groenste eiland waar we zijn geweest. Dat zagen we overigens pas de volgende dag. We kwamen na een reis van 13 uur vanuit Pnomh Penh 's avonds laat op het eiland aan. Als er een grensovergang in de reis zit, duurt het altijd extra lang. Onze backpacks waren al de grens met Thailand over, maar wij stonden weer eens lang in de rij om een stempel te halen. Het was fijn om weer in Thailand aan te komen. Geen armoede meer langs de kant van de weg en iets meer ontwikkeling maakt het reizen toch wel prettiger.

Dat Koh Chang een groen eiland is, is niet zonder reden. Van de vier dagen dat we er waren, waren er drie met slecht weer. Gelukkig was het regenseizoen nog niet begonnen en duurde de tropische regenbuien niet heel lang. En het was geen straf dat het weer even wat minder was: we vermaakten ons prima in de hangmatten in de hutjes bij ons resort Paradise Cottage. Het was inderdaad een klein paradijsje. Midden in de jungle, uitzicht over zee en de hele dag goede loungemuziek op de achtergrond. Helaas deed de plaats waar we zaten op het eiland zijn naam eer aan. Lonely Beach werd na een paar dagen wel erg lonely, dus besloten we onze backpacks weer in te pakken en uit te varen naar onze volgende bestemming: buureiland Koh Mak.

Koh Mak was volgens onze Lonely Planet the kind of island that can melt your brain into never, ever wanting to leave. Wie wil daar nou niet heen? Na dik 2 uur varen werden we afgezet op het eiland, zoals je ze alleen ziet in brochures. We hadden niets geboekt, maar ook hier werden we weer opgewacht door Thai die graag willen dat je op hun resort verblijft. Er stond ook een Westerse man tussen die ons vriendelijker aansprak dan de Thai. Michal kwam uit Polen en had met zijn Thaise vrouw Riam een klein resort met zeven bungalows, ver weg van alle grote resorts en met een eigen strand. Het bleek een goede keuze te zijn om daar te gaan slapen. Het waren hele lieve mensen die ons alles konden vertellen over het eiland, Riam kon heerlijk Thais koken en onze bungalow stond ook hier middenin de jungle, aan het strand. Het was jammer dat het de afgelopen dagen niet heel mooi weer was geweest, want daardoor was de zee niet heel erg schoon. Dat laten ze natuurlijk nooit zien op de mooie plaatjes in de reisgidsen. Het eiland had op ons niet het effect dat we er nooit meer weg wilden gaan. Na twee dagen hadden we het wel weer gezien. Er was niet veel te beleven, behalve genieten van heel veel rust, want veel toeristen waren er niet. Nu hoeven er van ons niet veel toeristen te zijn om onszelf te kunnen vermaken, maar twee dagen op een verlaten strand liggen is meer dan genoeg. We waren dan ook blij om weer de drukte van een stad op te zoeken. Bangkok werd de volgende stop.

Ik was al een week met Kerst en Oud & Nieuw in Bangkok geweest, maar Bangkok heeft bijna net zo veel inwoners als in Nederland, dus er waren nog genoeg nieuwe dingen te zien en te beleven. We zochten de drukte weer op in de backpackerswijk, waar de beroemde en beruchte Khao San Road ligt. Een avondje stappen op Khao San Road mocht natuurlijk niet ontbreken. Deze straat met barren en clubs heeft niets met het echte Thailand te maken. Overal liepen backpackers, waren er Westerse restaurants en Thai die iets aan je willen verkopen. Langer dan 24 uur moet je er niet doorbrengen, maar voor de afwisseling was het leuk. Aan ontwikkeling in deze stad geen gebrek. Ook deze keer keek ik mijn ogen uit in de shopping malls van een paar verdiepingen hoog met de duurste kleding- en automerken. Helaas niet weggelegd voor ons budget.

Na een paar dagen Bangkok gingen we met een busje verder naar het zuiden. De volgende en laatste plaats op het vasteland waar we 2 nachten hebben geslapen was Hua Hin. Deze nachten waren meteen de meest luxe nachten in Thailand, want we sliepen bij Bas en Els, vrienden van mijn ouders. Zij zijn in januari geemigreerd naar Hua Hin, en wonen in een prachtige villa op een mooi resort. Voor ons een verademing na alle hostels waar we geslapen hebben. We werden heerlijk verwend met het ontbijtje elke ochtend als hoogtepunt. Het was fijn om weer even in een echt huis te zijn. Hua Hin is een gezellig stadje aan de kust met leuke avondmarkten en een paar goede restaurantjes, waar Bas en Els ons mee naar toe namen. De tussenstop in Hua Hin was een goede voorbereiding op het volgende eiland waar we naartoe zouden gaan: Koh Phangan.

Dit eiland is ook wel bekend vanwege de maandelijkse Full Moon parties op Sunrise Beach in de plaats Haad Rin. En laten wij nou net het geluk hebben gehad dat het op 6 april volle maan was. Niet dat je anders iets tekort komt. De Thai grijpen alles aan om een feest te geven. Zo bestaan er ook de Half Moon en Black Moon feesten in de jungle. Op dit eiland was het overigens de laatste keer dat we een poging waagden om ergens anders naartoe te gaan dan de plek waar alle toeristen op een kluitje zitten. Volgens onze reisbijbel was dit stuk van het eiland niet zo ver ontwikkeld als de plaats waar alle feesten gegeven worden , was er geen ATM, geen 7/11 (de Thaise supermarkt die overal is waar veel toeristen zijn) en een mooi, niet door drukte verpest strand. Voor de Full Moon party zouden we wel een taxi pakken. Mooie middenweg, dachten we. Maar één dag in ons hutje in de natuur was weer meer dan genoeg. Het was zeker erg mooi, maar er was werkelijk niets te beleven. Het was er helemaal uitgestorven. De ervaring op Koh Mak kwam weer bovendrijven en de volgende dag zijn we daarom maar verkast naar de plaats waar je, als je wilt, 24 uur per dag door kunt gaan. Dan maar veel toeristen om eens heen. En vanuit deze plaats was het prima te doen om de rest van het eiland te verkennen. Met aanpassen op de Full Moon party hadden we geen enkele moeite: in iedere hand een bucket (waar het eiland overigens op draait), fluoriserende verf en dito kleding en dansen tot de zon opkwam.

Eiland nummer vier werd Koh Lanta aan de Westkust van Thailand in de Andaman Zee. Het eiland waar we de eerste aardige Tuk Tuk chauffeur in Thailand zijn tegengekomen. We kwamen weer 's avonds laat aan na een lange dag reizen. In het donker is het altijd lastiger om een leuke slaapplek te vinden, dus we waren erg blij toen mr. Tam langs kwam rijden. Hij had een tas vol met brochures en was niet beroerd om langs elke accomodatie te rijden die ons aansprak, net zo lang tot we de leukste gevonden hadden. En dat zonder ons af te zetten: we mochten zelf weten hoe veel geld we hem gaven. We sliepen op Lanta New Beach Resort, gerund door een Islamitische familie (in het zuiden van Thailand zijn meer moslims dan boeddhisten). Toen we de volgende dag eenmaal geinstalleerd waren bij het zwembad kwam de Nederlandse Jessie naar ons toe. Ze stak een verhaal af over duiken en snorkelen. Ik had net besloten om mijn duikbrevet niet te halen, mede omdat het best prijzig is. Maar bij haar kon ik mijn PADI Open Water in twee dagen halen voor 250 Euro. Het enige nadeel zou zijn dat ik dan veel zelfstudie moest doen om de theorie te leren. Na maanden mijn hersenen niet belast te hebben, vond ik het niet erg om te 'studeren' en ben ik diezelfde dag begonnen. De eerste keer duiken in het zwembad vond ik helemaal niks. Dat gedoe met dat pak en de zware uitrusting. Ik kon niet goed ademhalen door dat apparaat en mijn duikbril liep steeds vol met water. 's Middags was mijn eerste duik in zee. Omdat ik het duiken helemaal niet goed beheerste, kon ik daar ook niet echt van genieten. De volgende dag werd het pas leuk, toen we naar open water gingen en we drie duiken op 12 meter gingen maken. Maar voor het zo ver was, moest ik eerst de theorie leren en daar was ik na de eerste dag duiken niet meer aan toegekomen. Ik was rond vier uur weer terug bij Edwin, wilde net gaan beginnen met de theorie toen er paniek uitbrak: tsunami-alarm. Er werd geschreeuwd dat we hoger gelegen gebied op moesten zoeken. Ik heb me nooit zo bang gevoeld. Een aardbeving van schaal 8.6 op de schaal van Richter bij Sumatra had het alarm veroorzaakt. We waren zo helder om alle belangrijke spullen, zoals onze paspoorten, mee te nemen, de bungalow op slot te doen, een scooter te huren en als gekken naar boven te rijden en daar te wachten tot de golf zou komen. We hadden de scooter geparkeerd en waren nog steeds niet hoog genoeg. Uiteindelijk kwamen we na een stuk rennen door de jungle onder de rode mieren en schrammen aan bij een hoog appartementencomplex. Op het dakterras moesten we wel veilig zijn. We hadden daar meteen een prachtig uitzicht over Koh Lanta en de zee. Ondertussen hadden we vrienden gemaakt met een paar Thaise meiden. Eén van hen was de eigenaresse van het appartementencomplex. De stoerste van het stel, die erg leek op een Tomboy, ging weer naar beneden om bier, chips en sigaretten te halen. Perfect overlevingsvoedsel. Inmiddels ging de schemer inzetten, werden we lek gestoken door muggen, maar was het eiland nog steeds niet overspoeld. Lang leve de technologie: we werden op de hoogte gehouden van de situatie door de Blackberries en iPhones van onze nieuwe vrienden. Het bleek gelukkig geen herhaling van 2004 te worden, omdat de platen in de oceaan zo vriendelijk waren zich horizontaal in plaats van verticaal te verplaatsen, waardoor een tsunami uitbleef. Na een paar uur mochten we weer naar beneden. Onze scooter hadden we in de haast ergens op het eiland geparkeerd. De Thaise dames waren zo vriendelijk om ons te helpen zoeken, nadat ze ons bij hen thuis op een heerlijke geimproviseerd Thais diner hadden getrakteerd. Toen we 's avonds laat thuis waren, zat de schrik er nog goed in. Ik wilde het duiken voor de volgende dag afzeggen, maar dat zou me een hoop extra geld kosten. Ik blijf toch een Nederlander en ben de volgende dag toch gegaan. Om 7.15 uur werd ik opgehaald en om 9.30 uur lag ik in het water op 12 meter diepte. Ik had het voordeel dat ik enige cursiste bij Jessie was. Dankzij de één-op-één duiklessen had ik het na twee duiken aardig onder de knie en was de derde duik alleen maar genieten. Het is zo'n bijzonder gevoel om gewichtloos te zijn en te zweven tussen zo veel mooie vissen en kleuren. Met het examen was het uiteindelijk ook goed gekomen. Op de boot was Jessie met me door de theorie heen gelopen en de toets heb ik met succes afgerond. Op de dag van Songkran, het jaarlijkse waterfestival om het Thaise nieuwjaar in te luiden, hebben we niet veel gedaan. Ik was versleten van de dagen daarvoor. Alleen 's avonds, toen we iets gingen eten in de stad, konden we niet ontkomen aan de waterpistolen. Drijfnat schoven we ergens aan tafel.

Na Koh Lanta hebben we de boot gepakt naar Koh Phi Phi. Na ruim een uurtje varen, kwamen we aan bij het eiland dat waarschijnlijk ooit een paradijsje is geweest, maar waar nu zo veel toeristen zijn dat daar niet veel meer van over is. Er lagen veel boten bij de pier, vol met mensen die een dagje naar Maya Bay gingen, het strand waar de film 'The Beach' opgenomen is. Voor 50 Euro kon je er heen varen en dat vonden we een beetje te veel geld voor een strand waar meer toeristen zijn dan zandkorrels en onze redenatie was dat met zo veel toeristen op één plek, het strand vast niet meer zo mooi zou zijn als in de film. Voor het strand gingen we naar Long Beach, 20 minuten lopen van het centrum. Daar was de zee nog turquoise van kleur zonder vuilniszakken of ander plastic. Gelukkig hadden we deze mooie spot gevonden. We zijn twee nachten op Koh Phi Phi gebleven en hebben toen de boot gepakt naar onze eindbestemming: Phuket.

Ik was in december al een lang weekend op Phuket geweest en toen zat ik in het plaatsje Patong. Ik wist daarom dat we dit plaatsje moesten vermijden vanwege het grote aantal oude vieze Westerse mannetjes die afkomen op Thaise vrouwen. We zitten nu in Phuket Town , een gezellig plaatsje met veel leuke winkeltjes en betaalbare hostels en restaurantjes. Ik wist dat Marlies en Brian ook naar Phuket zouden komen om vanaf hier weer verder te reizen. Het was erg leuk om hun na al die maanden op dit eiland te zien. Het nachtleven in Phuket Town is niet zo bruisend als in Patong, dus besloten we alsnog om gisteren de taxi te pakken naar Patong. Vol verbazing liepen we over Bangla Road (die naam kan al niet veel goeds voorspellen) waar meer girlie bars dan normale bars zijn en waar je elke keer weer goed moet kijken of de Thaise vrouw in kwestie echt een vrouw is of toch een ladyboy. Het was in ieder geval een avond waarop de lachspieren weer goed getraind zijn. Vannacht gaan we rond 3 uur naar het vliegveld en komen we morgenochtend aan op Bali. We hebben veel leuke tips van andere reizigers gekregen, dus ik denk dat we ons prima gaan vermaken. We sluiten waarschijnlijk af op de Gili Islands, waar ik hopelijk ook ga duiken. Daarover de volgende keer meer!

Democratic Kampuchea

Elk land heeft zijn eigen geschiedenis. In sommige landen is het er heftiger aan toe gegaan of gaat het er aan toe dan in andere landen. Vaag herinner ik me de geschiedenislessen op de middelbare school waarin gesproken werd over de Amerikanen die Vietnam binnenvielen of over de geheime oorlog in Laos. Over Cambodja wist ik weinig meer. Totdat je je er weer in gaat verdiepen, omdat je een paar weken door het land gaat reizen. De landen Laos en Vietnam waren mooi en indrukwekkend tegelijk. Indrukwekkend omdat in sommige delen de sporen van de oorlogen nog zo vers waren en dat maakte veel impact. Cambodja, dat in oorlogstijd Democratic Kampuchea heette, deed daar een schepje bovenop. Want overal waar we waren, was het duidelijk dat het land nog herstellende en in opbouw is.

Dat het een ontwikkelingsland is, werd gelijk al duideljk bij de grens met Vietnam. We hadden onze paspoorten afgegeven, want er moest een visum voor ons geregeld worden. We hadden er weinig vertrouwen in, maar soms heb je geen andere keus als je verder wilt komen. Met een busje werden we naar een nieuwe grensovergang gebracht. Aan de kant van Vietnam zag alles er spik en span uit. Een gloednieuw gebouw diende als poort naar Cambodja. Onze paspoorten lagen gelukkig klaar, alleen het wachten op de felbegeerde stempel duurde weer eens lang, zoals bijna overal in Azie. Zie voor je een hokje met vier strenge douanebeambten. De één checkt het paspoort, de volgende plakt het visum erin, de derde zet de stempel van het land en de laatste mag de datum van vertrek erin stempelen. Eenmaal over het stukje niemandsland heen gelopen, kwamen we eindelijk aan in Cambodja. Hier stond geen mooi gebouw, maar hokjes van spaanplaat afgedekt met oude kranten, waarin het douanepersoneel lag te slapen. Het krijgen van de Cambodjaanse stempel duurde extra lang, want nu waren de moeilijke taken verdeeld over mensen die in verschillende hokjes zaten. Voordat we weer verder konden rijden naar onze eerste bestemming, Sihanoukville, was er nog één stop om het grensavontuur compleet te maken: een gezondheidscheck a 1 dollar per persoon. Niemand in het busje had daar natuurlijk behoefte aan. Onder die ene dollar kwamen we na lang protesteren uit, maar we mochten het land echt niet in zonder de check. Een oude Cambodjaan stond gewapend met een thermometer klaar om te meten of we koorts hadden. Edwin was de laatste en bij hem sloeg de thermometer op hol, de temperatuur buiten was nou eenmaal warmer dan onze lichaamstemperatuur, en we mochten alleen verder op voorwaarde dat hij snel naar een dokter zou gaan. Maar natuurlijk. Welkom in Cambodja.

Van Phu Quoc Island in Vietnam naar Sihanoukville in Cambodja is het maar een paar kilometer over water. Cambodja kon alleen via land bereikt worden, dus 12 minuten met de boot, werden die dag 12 uur met de boot en de bus. Sihanoukville ligt aan de kust. Na de oorlog is deze stad in een paar jaar tijd uitgegroeid tot een badplaats die niet zou misstaan aan de Spaanse Costa's. Denk aan strandtenten met harde muziek, veel proppers, supermarkten die 24 uur per dag open zijn en aangespoeld afval op het strand. Toch zijn we hier een week gebleven. We kwamen, hoe kan het ook anders, Nederlanders tegen die we op het Reggaefestival in Pai, Thailand, al hadden ontmoet. Iedereen had vanaf Vang Vieng in Laos tot aan Sihanoukville een andere reisroute gedaan, dus het was erg leuk om elkaar weer te zien en reisverhalen uit te wisselen. Voor het strand gingen we een paar kilometer verderop liggen, op Otres Beach. Hier waren niet zo veel zonnebrillen-, fruit-, boeken- en sieradenverkopers, waren de strandtenten relaxed, en was het strand schoon en het water helderblauw. Genieten dus! Sihanoukville is het perfecte startpunt om de eilanden voor de kust van Cambodja te verkennen. Met de Holland Crew hadden we een dag een bootje gehuurd en hebben we een heerlijke dag op het water en verlate strandjes doorgebracht. Nu hebben we niet alleen maar gefeest, gezond en gevaren in Sihanoukville. Dat zo'n beetje, heel vervelend, wel het enige is dat je daar als toerist kunt doen. Van Marcelle en Ger uit Nederland had ik gehoord dat Jean Michel, een goede vriend van hun, een NGO runt in een plaatsje vlakbij Sihanoukville. Hij is maar twee maanden per jaar in Cambodja om te kijken hoe het gaat en toevallig was hij er en sliep hij in ons hostel. Een paar jaar geleden heeft hij een kindertehuis opgezet voor kinderen van de vuilnisbelt. Een letterlijke vuilnisbelt, waar het leven ondraaglijk is door de stank en de gevaarlijke stoffen. De meeste kinderen hebben wel ouders, maar in het huis zijn ze veel beter af. Ze krijgen daar de kans om naar school te gaan, mede door donaties uit Nederland. We mochten met Jean Michel mee om een kijkje te nemen en zodra de taxi de straat met het feestgedruis uitreed, werd ons duidelijk dat het een heftige middag zou worden. Buiten de grote steden vol toeristen om leek het of Cambodja armer was dan Laos en Vietnam bij elkaar. Op veel plekken zag je door het vuilnis de mensen niet meer. Uit de verte zagen we de kinderen op ons af komen rennen.We werden heel warm ontvangen. De kinderen hebben een fijn leven, maar het contrast met het gemiddelde Nederlandse kind dat niet zonder computer en iPhone kan was groot. De kinderen zijn gelukkig met wat ze hebben en dat is voornamelijk elkaar. Op zulke momenten besef je weer hoe goed wij het hebben. Een paar biertjes ‘s avonds met Jean Michel waren er voor nodig om de middag een plek te geven en onze gedachten weer te verzetten.

Na een week was het mooi geweest in Sihanoukville en hebben we de bus gepakt naar Pnomh Penh, de hoofdstad van Cambodja. Hier woont Michael, mijn oud-collega bij Elephant Parade. We hadden onze route precies zo uitgestippeld dat we zijn verjaardag konden vieren. Michael had een kamer voor ons gereserveerd in één van de populairste hostels in Cambodja, Top Banana. De meeste mensen die hier slapen zijn net als wij aan het reizen, alleen het grote verschil is dat sommigen er nooit meer weg zijn gegaan. Net zoals Michael dus. We hebben zijn verjaardag uiteindelijk niet gevierd, omdat iedereen van het hostel gaar was van het feesten de avond daarvoor. De eigenaar had een nieuwe bar geopend die ingewijd moest worden. Zondag moesten we er dan toch aan geloven: het bezoeken van het genocide museum en de killing fields. Over een groot contrast gesproken. We hadden een hele aardige Tuk Tuk chauffeur geregeld die ons overal heen bracht zonder continu te zeggen hoe veel geld we hem moesten betalen. Nu was dat sowieso een groot voordeel ten opzichte van Vietnam: de Cambodjanen zijn een stuk vriendelijker en minder onbeschoft en luidruchtig dan hun buren. Dat kan natuurlijk ook aan de temperatuur liggen. Ik zou me ook niet graag opwinden bij een temperatuur van gemiddeld 40 graden op het heetst van de dag. Op naar een belangrijk stuk geschiedenis van het land. Maar hoe kun je je voorbereiden op een plek waar duizenden mensen ten onrechte zijn vermoord door het eigen volk? De schok om deze plekken te zien was best groot, omdat je je niet van tevoren in kunt beelden waar mensen allemaal toe in staat zijn. Het genocide museum was voorheen de S-21 gevangenis waar leden van de Khmer Rouge tussen 1975 en 1979 mensen martelden en vermoordden die slim waren, dus mensen die bijvoorbeeld gestudeerd hadden, een bril droegen of zachte handen hadden. Want slimme mensen kunnen in opstand komen en van domme mensen hoef je niets te verwachten. Kromme gedachte, maar zo dacht Pol Pot, de man die verantwoordelijk is voor 3 miljoen slachtoffers, een machtig rijk te kunnen creeeren. De martelcellen en de foto's van alle gevangenen, van jong tot oud, die niets op hun kerfstok hadden, waren enorm aangrijpend. Om maar niet te spreken over de killing tree op de Choeung Ek Killing Fields, 17km ten zuiden van Pnomh Penh, waar de hoofden van babies tegenaan werden gesmeten om vervolgens in massagraven te worden gedumpt. In het grootste massagraf lagen 450 lijken. Delen van botten en gebitten zagen we nog liggen. Daar zijn geen woorden voor en meer woorden zal ik er dan ook niet aan vuil maken. Met deze gebeurtenissen in het achterhoofd was het moeilijk om heel positief te zijn over het land. Ik heb dan ook veel respect voor de postiviteit van de meeste Cambodjanen. Ze kijken niet meer terug naar het verleden, maar zijn blij dat ze leven en een toekomst hebben. In het centrum van Pnomh Penh is buiten het museum om weinig meer van het verleden te merken. De stad is enorm in ontwikkeling. Hoge gebouwen worden als paddestoelen uit de grond gestampt. Nieuwe wegen en dure westerse winkels sieren de straten. Zodra je het centrum uitrijdt is hier niets meer van te zien. Dan wordt weer duidelijk hoe veel mensen er in armoede leven.

Van het ene stuk geschiedenis belandden we in het andere. Geen nare oorlogsverhalen meer, maar tempels zo oud dat het een wonder is dat ze er nog staan. Ik heb het over Angkor, het grootste tempelcomplex ter wereld verspreid over 25km² dat gebouwd is tussen de 9e en 15e eeuw. We hadden gehoopt dat het niet zo druk zou zijn met toeristen omdat het zo groot is, maar dat bleek een illusie te zijn toen we naar de zonsondergang wilden kijken. Kijken naar de zonsondergang en zonsopgang bij tempel Phnom Bakheng scheen een must-do te zijn. Met het kaartje dat we aan het einde van de middag gekocht hadden, konden we de andere dag ook weer naar de tempels. De vreugde van deze goede deal werd al snel teniet gedaan, toen we niet de enigen bleken te zijn met dit idee. Heel wat tuk tuks stonden te wachten toen onze chauffeur ons afzette aan de voet van de tempel. Het leek wel een attractiepark. Rijen dik stonden te wachten om de tempel op te klimmen. We waren bijna aan de beurt toen het bordje 'closed' neergezet werd. De tempel was te vol. De discussie aangaan heeft geen zin, al helemaal niet in die hitte, dus enigszins teleurgesteld gingen we maar weer terug naar Siem Reap. Je begrijpt dat we de volgende dag de zonsopgang maar overgeslagen hebben. Half 5 's ochtends opstaan en dan weer het risico lopen niks van die zon mee te krijgen, ging ons iets te ver. 7 uur was vroeg genoeg. Met een tuk tuk gingen we van de ene tempel naar de andere. De één mooier dan de ander. De mooiste tempel vond ik de Angkor Thom tempel waar ook de film Tomb Raider opgenomen is. De tempel lag verscholen in de bossen, met bomen zo groot dat je de toppen niet kon zien, ingebouwd tussen de stenen kunstwerken. Rond een uurtje of één waren we tempel- en toeristenmoe en werd het ook veel te warm, maar konden we Angkor ook weer van ons lijstje afstrepen.

De highlights in Cambodja hadden we gezien, dus werd het tijd om naar Thailand te gaan, de plek waar het voor mij vijf maanden geleden allemaal begonnen is. Nu zijn de Koh's in het zuiden van het land aan de beurt. We zijn nu op Koh Chang, heerlijk aan het relaxen in hangmatten op Lonely Beach, terugkijkend op wat we allemaal al gedaan en gezien hebben. De aankomende weken hoeven we gelukkig geen tempels meer te zien en zal het vooral veel zon, zee en strand worden. Heel vervelend. 18 april vliegen we van Phuket naar Bali. 28 april vliegen we vanaf Denpasar op Bali naar Kuala Lumpur in Maleisie. Nog vervelender. Edwin maakt het feest helemaal compleet. Hij heeft de reis verlengd naar Melbourne en Sydney in Australie. Voor mij zit het avontuur er dan op, maar eerst volop genieten van al het moois dat nog komen gaat.

Same same, but different

'You buy something? Beautiful sunglasses for beautiful lady.' 'No, thank you'. 'It's happy happy hour. Same same, but different.' 'No! Can't you see I'm already wearing sunglasses?' En waren het geen zonnebrillen, dan waren het wel boeken, ananassen en de laatste poging was vaak een zak marihuana. Vietnameze straatverkopers deden er alles aan om iets te verkopen. Met een simpele 'nee' kwamen we niet van ze af. Echte conversaties kon je het nooit noemen. Hun Engels was vaak beperkt tot bovenstaande zinnetjes. Drie weken lang werden we gezien als wandelende portomonnees en dat heeft tot veel frustraties geleid, maar ook tot het krijgen van meer geduld. Tot tien tellen was vaak de enige oplossing, uiteindelijk lieten ze je wel met rust. Gelukkig werden de stugge en hardleerse inwoners van het land gecompenseerd door Vietnam zelf. Waar de Vietnamezen in onze ogen allemaal hetzelfde zijn, is het land enorm divers. We zijn in het noorden in de hoofdstad Hanoi begonnen en ik maak nu een begin aan deze blog 1600km verder op het strand van bountyeilandje Phu Quoc waar we heerlijk aan het bijkomen zijn van een aantal indrukwekkende reisweken.

Van Vientiane in Laos naar Hanoi in Vietnam duurde het slechts een uurtje met het vliegtuig. Maar van een rustige, tropisch warme stad, kwamen we ineens terecht in een grijze, koude, drukke stad waar het geluid van toeters alles overstemde. Met het geld wisselen op het vliegveld ging het al mis. Ik ging van Laotiaanse Kip naar Amerikaanse Dollars naar Vietnamese Dong en hield niet bepaald veel van mijn originele geldbedrag over. We werden gewaarschuwd voor illegale taxi's die je nog meer zouden afzetten dan de reguliere taxi's, dus vermoeid dat we waren van het reizen, pakten we een reguliere taxi samen met de Argentijnse Hernan, betaalden we veel te veel geld en werden we gedropt in het centrum van Hanoi. Volgens onze reisbijbel moesten we in de Old Quarters slapen. Dat was best een uitdaging toen de schemer eenmaal zijn intreden had gedaan en de Old Quarters een wirwar van steegjes en straatjes bleken te zijn. We waren er al na een paar uur achter dat iets vragen in het Engels totaal geen zin heeft. Maar uiteindelijk kom je overal, al duurt het soms iets langer dan gehoopt.

De Argentijn wilde ons graag trakteren op een fles Argentijnse rode wijn, dus wij gingen dezelfde avond nog op zoek naar een restaurant. Persoonlijk vind ik dat één van de leukste dingen aan onze reis tot nu toe. De eerste avond in een nieuwe onbekende stad op zoek naar een leuke plek om te eten en te drinken. In het gedeelte van Hanoi waar wij zaten, waren meer Vietnamezen dan toeristen, dus weinig restaurants zoals wij die kennen. Ondanks de 12 graden, wat voor ons dus echt heel koud was, zat iedereen op straat. Letterlijk op straat, zonder stoel. Al staat er een bank en een paar stoelen, de Vietnamezen geven om wat voor reden dan ook de voorkeur aan de grond. Of ze zitten op hele kleine plastic stoeltjes, alsnog heel laag bij de grond. Een gezellige boel dus. Iedereen was noodles uit kommetjes aan het slurpen of rijst met stokjes aan het eten. Voor de fles wijn moesten we even goed zoeken, maar na een paar welverdiende glazen, onze eerste Vietnameze springrolls en de eerste indrukken van een nieuw land vielen we die nacht in een hele diepe slaap. De volgende ochtend was de hele stad alweer in alle vroegte druk in de weer. Ook nu zat weer iedereen op de grond, dit keer niet om gezellig te eten en te drinken maar om hun producten te verkopen. Helaas draaide een vrouwtje net een haan zijn nek om toen we voorbij liepen en even verderop werden levende vissen uit een bak gehaald om even later dood te verkopen. Het was een nogal letterlijk levendige markt. De term viswijf moet hier uitgevonden zijn. De Vietnamezen hebben de grootste moeite om op een normale toon tegen elkaar te praten. Het lijkt net alsof ze altijd ruzie hebben. Tel daarbij de onvriendelijkheid, het spugen op straat en het peuteren in de neus of in het oor bij op en je hebt misschien een beetje een beeld van hoe de gemiddelde Vietnamees zich gedraagt. Ook dit stelde meerdere malen ons geduld op de proef. Maar alles went en na drie weken keek ik nergens meer van op.

We zijn drie dagen in Hanoi en omgeving gebleven inclusief een dagje Halong Bay, dat volgens alle boeken en websites een prachtig stukje natuur moest zijn met kalkstenen eilanden in zee maar dat wij vooral zagen als heel toeristisch, zoals bijna overal in Vietnam. Nu scheen het zonnetje ook niet en was het erg koud, dus dat hielp niet heel erg mee. Het was wel perfect weer om musea te bezoeken en cultureel verantwoord dat we zijn, hebben we het indrukwekkende oorlogsmuseum, het vrouwenmuseum en de gevangenis bezocht. Nadat ik me meer in de geschiedenis van het land had verdiept en dan heb ik het niet over de verhalen die in de geschiedenisboeken van mijn middelbare school stonden, maar de échte verhalen, verteld door Vietnamezen die de oorlog meegemaakt hebben of het beeldmateriaal dat je ziet in de musea, kon ik iets meer begrijpen waarom Vietnamezen zo onvriendelijk kunnen zijn. Misschien heeft het niets met elkaar te maken, maar ik zou ook niet het zonnetje in huis zijn als er kortgeleden in mijn land een heftige oorlog gevoerd is die ook nog eens jarenlang heeft geduurd. Daarnaast hebben de Vietnamezen een overschot aan noodles en rijst, maar daarvan kun je niet lekker ruim leven. De meeste mensen zijn erg arm. Een vrouw bij het reisbureau vertelde dat ze 16 uur per dag, zeven dagen per week moest werken om noodles op de plank te krijgen. Daar wordt een mens niet vrolijk van. Bij datzelfde reisbureau hebben we een open busticket gekocht waarmee we van Hanoi tot Ho Chi Minh City (Saigon) konden reizen inclusief een aantal tussenstops.

De regen achtervolgde ons tot in Hue in het midden van Vietnam, en aangezien zich alles buiten afspeelt, hadden we het na één dagje wel weer gezien. Gelukkig hebben we niet veel gemist, want zelfs mijn moeder die vaak eerder weet wat er in de volgende stad te doen is dan wij, was er niet veel te doen in Hue. Net als het land, is het klimaat gelukkig ook heel verschillend. De prachtige rijstvelden in het noorden maken in het zuiden meer plaats voor uitgestrekte zandstranden en de kou verdween gelukkig al snel toen we de stranden bereikt hadden. Hoi An was onze eerste stop met een prachtig strand, maar het plaatsje zelf was eigenlijk veel leuker. Wij vonden Hoi An net Disneyland met in het centrum gekleurde huisjes en vissersbootjes, lampionnen die de straten verlichten en vrolijke muziek op de achtergrond. Onze reisbijbel wist te vertellen dat Hoi An het gastronomische hoogtepunt van Vietnam is en dat heb ik geweten. De jurk die ik daar bij één van de vele kleermakers heb laten maken, was voor mijn gevoel een maatje groter dan ik normaal heb.

Geen idee of het aan het weer lag, maar de mensen in Hoi An waren een stuk vriendelijker dan in het noorden. Dat bleek helemaal toen we per toeval op een Vietnameze bruiloft beland waren. We hadden fietsen gehuurd om lekker naar het strand te fietsen. Nu wilden we niet de gebruikelijke route nemen, dus zodoende zaten we ineens middenin de buitenwijken van Hoi An. Niet heel bijzonder, maar wel indrukwekkend om te zien hoe de mensen leven als er geen toeristen in de buurt zijn. We zagen de oudste rouwtjes met ruggen zo krom, waarschijnlijk van het heel hun leven werken op de rijstvelden, dat het onbegrijpelijk is dat ze niet omvallen. Leuk en aardig zo'n route, maar de weg liep op een gegeven moment dood. Op de terugweg hoorden we ergens harde muziek vandaan komen met stemmen die mogelijk nog harder en valser klonken er bovenuit. Snakkend naar een zeebriesje, maar toch ook erg dorstig, besloten we een kijkje te nemen. Het moest een bruiloft voorstellen, maar het leek eerder op een openlucht café: geen schoon tot in de puntjes verzorgd trouwpartijtje, maar gewoon een ordinair zuipfestijn. Voor we het wisten werden we naar binnen getrokken en zaten we als eregasten aan tafel bij de 20-jarige bruidegom en 22-jarige bruid. Heel het dorp kwam ons gedag zeggen en moest ons even aanraken. Het enige wat ze uit wisten te brengen in gebrekkig Engels was of wij ook getrouwd waren en of we een baby hadden. Edwin had om 12 uur al vier bier achter zijn kiezen en de vrouwen bleven mij eten geven. Weigeren is helaas niet netjes, dus ook de rauwe kippenpoten met een zelfgemaakte marinade moest ik wegwerken. Toen de zus van de bruid ineens erg goed Engels tegen mij begon te praten, ging er een belletje rinkelen. Ze had een winkel in het centrum en of ik even met haar mee wilde om kleding op maat te laten maken. De motor van de auto stond al te ronken. Vriendelijke mensen dus, maar wel met een dubbele agenda. Snel weer wegwezen. Op één voorwaarde mochten we gaan: we moesten een bijdrage stoppen in de spaarpot in de vorm van een hart bij de uitgang..

Voordat we in het zuiden de drukte van Ho Chi Minh city met zo'n 7 miljoen inwoners op hebben gezocht, zijn we na Hoi An twee keer met de bus in de plaatsen Nha Trang en Mui Ne gestopt. Beide badplaatsen zijn enorm in ontwikkeling. Veel hotels en resorts stonden in de steigers. Over tien jaar zullen de steden ongetwijfeld niet meer zo knus aandoen als nu het geval was, maar eerder de stempel van Lloret de Mar en Salou van Azie krijgen. De Russen hebben beide plaatsen ook ontdekt en dat zorgt vooral voor veel menukaarten in het Russisch, want hun Engels is mogelijk nog slechter dan dat van de Vietnamezen en veel lelijke souvenirswinkels. Geen idee waarom, maar wij kwamen erachter dat Russen helemaal gek zijn van krokodillenleer. Het hoogseizoen was gelukkig voorbij, dus overdag was het heerlijk rustig op de stranden. Elke stad heeft weer zijn eigen bezienswaardigheden en activiteiten die je kunt ondernemen. Zo zijn we in Nha Trang een dagje naar het pret- en waterpark Vinpearl geweest. Op een paar Russen na hadden we het waterpark helemaal voor ons alleen. Voor Vietnameze begrippen was het park best mooi opgezet met glijbanen die je ook in Nederland zou kunnen verwachten. In Mui Ne was het hoogtepunt kitesurfen. Niet voor ons weggelegd helaas, dus hebben we het bij zandsurfen gehouden. Mui Ne staat bekend om haar prachtige witte en rode zandduinen waar je dat kunt proberen. Best vermoeiend, maar wel een hele leuke ervaring.

Van de mooie zandstranden weer terug naar de hectiek van een stad. In Ho Chi Minh City hadden we een druk programma, omdat we graag de stad, de Cu Chi tunnels, en de Mekong Delta wilden zien. Van mijn moeder hadden we een hele leuke tip gekregen voor een guesthouse gerund door de Nederlandse Hans, genaamd Royal Saigon Luesthouse. Luesthouse is niet verkeerd gespeld, maar betekent luxury guesthouse. Voor maar 10 euro per nacht hadden we een nieuwe kamer met computer, airco, en een stortdouche. Een luxe die we in tijden niet hadden gehad! Hadden we ook wel nodig, want we moesten vier dagen achter elkaar de wekker zetten om 6 uur. Dat is gelijk één van de laatste keren geweest, want we moesten zo vroeg op voor de tours die we geboekt hadden en die vielen nogal tegen. De Cu Chi tunnels waren erg indrukwekkend. Je loopt toch over grond waaronder een tunnelstelsel aangelegd is van 250km lang die de Amerikanen tijdens de oorlog bijna niet wisten te ontdekken. Zelfs met napalmaanvallen die tot op de dag van vandaag zorgen voor kinderen die verminkt geboren worden, konden de Amerikanen er niet achterkomen waar de Vietnamezen zich verstopt hadden. Mr. Bin was onze gids en hij had zelf meegevochten tijdens de oorlog. Dat maakte de tour enigszins nog interessant. Maar alle toeristen die hem moesten volgen waren wat minder. Geen groepjes van vijf, maar van minimaal twintig liepen over het terrein foto's te maken. En ja, daar waren wij ook schuldig aan. De mogelijkheid om te schieten voor één dollar per kogel hebben we overgeslagen, dat ging ons toch iets te ver.

Na de tocht over de Mekong, ons laatste toeristische uitstapje, gingen we naar onze laatste stop in Vietnam: Phu Quoc Island. Even lekker bijkomen van drie hectische weken reizen door Vietnam, waarin we veel gedaan en gezien hebben. Bijna elke avond lagen we vroeg in bed, omdat we zo versleten waren van alle nieuwe indrukken elke dag. Phu Quoc Island staat in de boekjes omschreven als één van de weinige onontwikkelde bountyeilandjes van Azie. En daar was niets over gelogen. Samen met de Duitse Robin die we op de boot hadden ontmoet, hebben we ons een paar dagen in het paradijs gewaand met ons bungalowtje op het strand, elke avond een zonsondergang en daarna verse vis op de barbeque, en de witte zandstranden. De laatste dag hadden we scootertjes gehuurd en zijn we op stranden geweest waar het leek alsof er nog nooit iemand gelopen had. Een mooie afsluiting van Vietnam. We hadden gehoopt dat we direct met een boot vanaf Phu Quoc naar Sihanoukville in Cambodja konden reizen. Helaas waren de geruchten niet waar en moesten we weer via het vasteland van Vietnam om naar Cambodja te gaan. Weer een avontuur op zich, maar dat zal ik bewaren voor mijn volgende blog!

Terug in de tijd

Twee weken geleden was het dan zo ver. De grote reis kon beginnen. We zijn maar gelijk met het armste land van Zuidoost-Azie begonnen: Laos. Dan kan het daarna alleen maar (nog) beter worden. Het is zelfs één van de armste landen ter wereld en duidelijk nog een ontwikkelingsland, waar een pakje sigaretten 50 eurocent kost, waar bamboehutjes voor huizen door moeten gaan, waar koeien en kippen op straat lopen, waar overdag vaak de elektriciteit uitvalt, waar geen enkele McDonald's te bekennen is, waar ze bijna overal een rekenmachine gebruiken in plaats van een kassa, waar ze geen of slecht asfalt hebben en waar elke backpacker minstens één keer te maken krijgt met een abonnement op de wc. Terug in de tijd dus.

Maar ik ben positief verbaasd over hoe snel de Laotianen het land weer opgebouwd hebben, als je je bedenkt dat de oorlog pas in 1975 beeindigd is en dat het land pas sinds de jaren 90 open is voor toeristen. Laos wordt ook wel het land van de miljoenen olifanten genoemd, maar het is eerder het land van de miljoenen bommen. Met ongeveer 90 miljoen bommen is Laos het ergste gebombardeerde land ter wereld. Je zou denken dat de Laotianen verbitterd zijn door de oorlog. Het tegenovergestelde is waar. De mensen glimlachen bijna allemaal en komen een stuk minder hard over dan de gemiddelde Thai. Wel beschouwen ze ons als wandelende miljonairs. Als we 1.000.000 KIP pinnen, is dat voor ons maar 100 euro. De helft daarvan is het gemiddelde maandinkomen van de Laotiaan. En daarvoor moeten ze echt heel hard werken. Je moet dus wel opletten dat ze je niet oplichten. Al geef ik ze geen eens ongelijk.

Vanaf Chiang Mai was het drie dagen reizen naar Luang Prabang, onze eerste stop in Laos. Van de drie dagen zaten we er twee op de slow boat. Slow werd wel heel erg letterlijk genomen, want beide dagen zaten we gemiddeld 8 uur op de Mekong rivier. Een prachtige tocht omgeven door een natuur, zoals ik die nooit eerder gezien heb. We zagen dorpjes die waarschijnlijk geen naam hebben en slechts bestaan uit een paar houten hutjes, ouders die hun kinderen aan het wassen waren in de rivier en veel wilde dieren. Helaas geen olifanten. We hebben overnacht in het plaatsje Pakbeng, één lange straat met maar liefst één bar en wat kleine restaurantjes en winkeltjes. Een dorpje waar backpackers alleen komen om een nachtje te slapen en waar verder niet veel te doen is. Ik vraag me af waar de inwoners van moeten leven als er geen toerisme is.

De volgende dag ging de boottocht weer verder. Iets minder comfortabel door de houten vloer die als stoel diende en iets voller omdat ze niet echt moeilijk deden over een backpacker meer of minder op de boot. Het was wel een gezellige tocht. We hebben veel leuke mensen ontmoet waar we tot op de dag van vandaag samen mee hebben gereisd. Voornamelijk Nederlanders. We zijn zo'n klein land, maar je komt ze werkelijk overal tegen. Nederlands is niet langer de geheime taal van deze wereld. Je moet echt wel oppassen wat je tegen elkaar zegt.

's Avonds kwamen we aan in Luang Prabang en daar zijn we vier nachten gebleven. Dat deze stad op de werelderfgoedlijst van UNESCO staat, begrijp je als je er rondloopt. Er staan mooie koloniale huizen, prachtig versierde tempels en de stad heeft een mooie ligging aan de Mekong rivier. Laos is duidelijk een Franse kolonie geweest. Op elke hoek van de straat kun je baguettes eten en alle straatnaambordjes zijn in het Laotiaans en het Frans. 's Avonds sluit alles al om 23.30 uur. In Nederland begint het dan vaak allemaal pas. De reden hiervan is dat Laotianen vroeg naar bed gaan, omdat ze elke dag 5 uur op moeten staan om de monniken eten te geven. Deze activiteit heb ik maar even overgeslagen. Het enige dat je na 23.30 uur kunt gaan doen is bowlen buiten de stad. Hier brengt elke Tuk Tuk chauffeur je graag naartoe. Beetje jammer dat elke Tuk Tuk chauffeur vraagt of je marihuana van ze wilt kopen, de negatieve kant van de invloeden uit het westen.

Onze volgende stop was het plaatsje Vang Vieng. De tocht met het busje ernaartoe was heftig, zowel qua rit als qua omgeving. De wegen zijn bijna niet geasfalteerd in Laos. Ik was blij dat de banden van het busje het tot het einde volhielden. We reden door de bergen, wat erg mooi was, maar heftig om te zien omdat de armoede buiten de steden zo enorm groot is. Best tegenstrijdig om daar met een grote sneltreinvaart langs te rijden om vervolgens in het volgende stadje feest te gaan vieren. Want dat is wat elke backpacker in Vang Vieng komt doen. Het lijkt het Salou van Azie wel. Ik voelde me er wel een beetje te oud voor, maar je moet het een keer gedaan hebben als je er bent: Tuben. De grootste attractie van de stad. Met een band de rivier af en stoppen bij barretjes om buckets te drinken. Van het tuben zelf komt vrij weinig, omdat de meeste mensen bij de eerste barretjes blijven hangen. Het was erg leuk om een keertje te doen, maar om er nou weken te blijven te hangen zoals sommige backpackers doen? Nu zijn we niet alleen maar aan het zuipen, maar hebben we ook al veel andere activiteiten gedaan, zoals kayakken, caven (in een tube door het ijskoude water van een grot met een lamp op je hoofd, doodeng), en luchtballonvaren (echt schitterend!) over Vang Vieng.

Na vier nachten in Vang Vieng zijn we nu sinds vrijdag in de hoofdstad Vientiane. Ook wel bekend als de saaiste hoofdstad ter wereld en dat kan ik beamen. Met maar 300.000 inwoners is het ook niet echt een hoofdstad te noemen. Het lijkt wel alsof de ontwikkeling hier tot stilstand is gekomen. Hier geen bamboehutjes, maar wel enorm veel gebouwen die nog in de houten steigers staan en nooit af zijn gemaakt. Er zijn heel veel leuke Franse bakkertjes en restaurantjes, maar alles lijkt wel verlaten. Het is in ieder geval niet druk voor het hoogseizoen. De stad heeft een prachtige grote promenade aan de bijna opgedroogde Mekong rivier, maar er gebeurt niet heel veel. Behalve dan de markt die er elke avond staat.

We moeten hier tot woensdag blijven, omdat ons visum voor Vietnam pas vanaf 15 februari geldig is. Nou klinkt moeten best negatief, maar ik vind het eigenlijk helemaal niet zo erg om het even lekker rustig aan te doen. 'Rustig aandoen? Waarom? Je bent toch op reis en je hebt toch hele dagen niks te doen?' Reizen is best intensief kan ik je vertellen. Backpack inpakken, backpack uitpakken, backpack inpakken, niet dezelfde fout maken om de backpack weer helemaal uit te pakken, korte nachten maken door een slecht matras, Laotianen die om 5 uur wakker worden, of door een abonnement op de wc, vervolgens 7 uur opstaan om acht uur lang op een boot te zitten of zes uur lang over een hobbelige bergweg te rijden, kost aardig wat energie. Maar daar krijgen we nu al zo ongelooflijk veel voor terug, dat het alles meer dan waard is. Cliché maar waar, een land als Laos zet je weer even met beide benen op de grond en laat je inzien hoe goed wij het in Nederland wel niet hebben. Reizen werkt nu al verslavend. Het is leuk om elke keer weer de Lonely Planet erbij te pakken om te lezen wat de volgende stad te bieden heeft. Nu op naar onze volgende bestemming: Hanoi, in het noorden van Vietnam.

Goodbai Chiang Mai

Ik ben nooit erg goed geweest in afscheid nemen. Het is zwaar beladen en hier is het bovendien erg ongemakkelijk. Een knuffel geven is niet gepast en bij drie zoenen blijft de derde meestal in de lucht hangen. Maar groeten op zijn Thais met de handen tegen elkaar gevouwen is ook weer zo formeel. Het zorgde op mijn werk in ieder geval voor een paar grappige situaties. Vandaag was het mijn laatste werkdag. Ik werd door mijn collega's getrakteerd op een heerlijke lunch en ik moest beloven om contact met ze te houden. Best een loze belofte. Tegen hoe veel mensen in je leven zeg je dat wel niet en met hoe veel mensen heb je daadwerkelijk nog contact? Precies. Maar het zorgde er wel voor dat het afscheid wat luchtiger was. En sommige collega's ga ik zeker nog wel zien. Michael is verhuisd naar Phnom Penh in Cambodja, dus Edwin en ik zien hem al over een paar weken. Mede dankzij Michael heb ik een leuke tijd gehad bij Elephant Parade. We hebben veel samengewerkt, leuke acties en promoties bedacht voor de webshop en de social media en ook na werk zijn we veel met elkaar opgetrokken. Ook met mijn general manager Nipapat heb ik een leuke tijd gehad. Ze was één van de weinige Thai op mijn werk die Engels sprak en ze heeft me veel bijgebracht over de Thaise (werk)cultuur. Marc Spits, de oprichter van Elephant Parade, woont deels in Frankrijk en deels in Chiang Mai. Hij was de laatste tijd weer veel op kantoor in Chiang Mai. Ook van hem heb ik veel kunnen leren. Met zijn 75 jaar werkt hij nog steeds elke dag, niet te geloven toch? Ik ben blij dat ik terug kan kijken op een leerzame periode.

Mijn tripjes naar Singapore waren ook erg leuk. De laatste keer moest ik naar Singapore om een groep Nederlanders te begeleiden die op uitnodiging van Elephant Parade een reis maakten naar Singapore en Chiang Mai. Zo was ik ineens een paar dagen reisleidster. De groep bestond uit twee Limburgse dames, moeder en dochter, waarvan de moeder Elephant Parade Heerlen heeft georganiseerd en vier Rotterdammers, waaronder Gerard Cox. Als je met hem een paar dagen door moet brengen, is dat absoluut geen straf. Of het nou 6 uur in de ochtend was op het vliegveld van Singapore of dat we in 35 graden een tour langs alle olifanten in de stad maakten, Gerard liet geen moment onbenut om iedereen te entertainen met zijn moppen of zangkunsten. Na drie dagen kwam de groep naar Chiang Mai, waar ik ze weer opving op het vliegveld. In Chiang Mai heb ik ze meegenomen naar het olifantenziekenhuis. Bij de aanblik van Gerard was, zoals hij het zelf mooi zei, één van de zieke olifanten snel weer bij zijn positieven. En daar hoort natuurlijk een leuk filmpje bij: http://www.youtube.com/watch?v=eQnqP1fcCB4

Elephant Parade Singapore is inmiddels afgelopen. Helaas hebben de kunstolifanten op de veilingen niet het geld opgebracht wat ze hadden verwacht. Het is erg lastig gebleken om een kunstexpositie te organiseren in een onbekend werelddeel. Singaporezen zijn harde zakenlui en het netwerk wat je in eigen land als organisatie wel hebt, ontbreekt in een land waar dat allemaal opgebouwd moet worden. Waar de volgende exposities zullen zijn is nog onbekend. Het zou mooi zijn als ze wel doorgaan in Azie, want dat is tenslotte de meest voor de handliggende plek om je in te zetten voor de Aziatische olifant.

Ook heb ik vorige week afscheid genomen van de dames die de kunstgallerie The Colour Factory in het centrum van Chiang Mai runnen. Hier verkopen ze onder andere de replica's van Elephant Parade. Eén van de dames is Miguel La Salle. Zij ontwerpt prachtige designtassen. In haar nieuwste tassencollectie zit een tas die ze naar mij vernoemd heeft. Ik mocht er eentje uitzoeken, als dank voor mijn hulp bij het opstarten van hun tweede winkel in een olifantenkamp. Dus zodoende ben ik nu de trotse eigenaar van de Esmee bag.

Ik ga Chiang Mai wel missen, heb hier toch drie maanden gewoond. Maar ik kijk er ook enorm naar uit om vanaf morgen bijna vier maanden lang geen dagelijkse routine meer te hebben, geen wekker meer te hoeven zetten, andere landen te zien en per dag te bekijken waar we zin in hebben. Heerlijk toch?

Dit weekend hebben we al een voorproefje gehad in Pai, 163 km ten noorden van Chiang Mai. Met een busje zou de tocht drie uur duren, maar ik ben er inmiddels al achter dat je daar altijd gerust minimaal een uur bij kan rekenen. 762 bochten, die ik overigens niet zelf heb geteld maar wat op een ansichtkaart stond, en een misselijk gevoel verder, kwamen we aan in het hippie dorp. Met maar twee stoplichten in het hele dorp was het echt even een stap terug van Chiang Mai. Lekker in de bergen, ver weg van alle uitlaatgassen en drukte. Al was het wel iets drukker dan normaal vanwege een driedaags reggae festival. Eenmaal gesetteld in ons Happy House hostel, gingen we het dorpje in om een scooter te huren. De scooter werd een fiets, want in het hele dorp waren geen scooters meer te huur. Na drie maanden niet gefietst te hebben, was ik als een kind zo blij met mijn tweewieler. Met onze Israelische vriend uit het hostel en een jongen die we al in Chiang Mai ontmoet hadden, zijn we de boel gaan verkennen. Die middag hebben we onder andere een mooie tempel bezocht met uitzicht over de vallei waar Pai in ligt. Toen ik dat zag moest ik aan Oostenrijk denken, niet wetende dat het 's nachts ook daadwerkelijk net Oostenrijk was. Niet qua sneeuw, maar wel qua temperatuur. Van 30 graden overdag kelderde de temperatuur naar 5 graden toen de zon eenmaal niet meer scheen. We wisten wel dat het kouder zou zijn dan in Chiang Mai, maar we hadden er niet op gerekend dat onze tenen eraf zouden vriezen. De volgende dag hebben we voor het reggae festival maar even veel attributen gekocht en geleend en buckets gedronken om onszelf warm te houden. Ik kan geen No Woman No Cry meer horen, maar leuk was het zeker! Op een plek waar je het niet zou verwachten, kom je ze juist tegen: Nederlanders. En niet zo weinig ook. We hebben heel veel leuke mensen ontmoet. Een aantal van hen zullen we tijdens onze reis weer gaan tegenkomen, omdat ze dezelfde route doen als wij. Tuben in Vang Vieng belooft nu al één groot feest te worden. Nadat we na het festival nog een paar liedjes gezongen hadden in de Thaise karaokebar naast ons hostel (nou ja, van zingen was niet echt sprake meer), zijn we gaan slapen in onze vrieskist. Want echt geisoleerd was onze kamer niet. Mocht ik heimwee hebben naar Nederland, dan was het na de koude nachten in Pai wel weer over.

Vanavond is onze laatste avond in Chiang Mai. Het inpakken van mijn backpack wordt nog een hele uitdaging. Ondanks dat ik al een doos met spullen naar huis heb gestuurd, heb ik nog veel meer spullen verzameld de afgelopen 3 maanden. Maar de kunst van het weggooien krijg ik de aankomende weken denk ik snel onder de knie, want ik heb geen zin in een hernia. Onze eerstvolgende stop is Luang Prabang in Laos. We pakken vanaf de grens de slowboat, een tocht van drie dagen. Het plan is om ongeveer twee weken in Laos te blijven, want ons visum voor Vietnam is vanaf 15 februari geldig. Maar plannen zijn er om weer van af te wijken. Eerst maar eens gaan genieten. Tot de volgende update!

Happy New Year 2012 from Bangkok!

De beste ideeen ontstaan meestal op vrijdagmiddagborrels. Zo ook het idee om Kerst en Oud & Nieuw in Bangkok te vieren. Een paar dagen later hadden mijn collega Michael en ik de treintickets en een superdeluxe hotel geboekt. Is de wateroverlast in Bangkok toch nog ergens goed voor. Niemand die momenteel graag naar de stad gaat, dus hotels bieden bodemprijzen aan. De treinrit bleek iets langer te duren dan we hadden gehoopt. Waar in Nederland een paar minuten vertraging al voor een hoop chagrijnige gezichten zorgt, is het hier heel normaal om twee uur later te vertrekken. En niks geen koffie of thee ter compensatie, maar wel een hoop luidruchtige Thai met hun hele inboedel gratis bij de reis inbegrepen. Ze slepen werkelijk alles de trein in en het liefs zo veel mogelijk eten met een zo mogelijk nog sterkere geur. Ik kan geen gedroogde vis meer zien en ruiken. 12 uur werd 16 uur, nacht werd dag en toen kwam eindelijk Bangkok in zicht.

Het zag er niet erg veelbelovend uit. De eerste minuten zagen we overal alleen maar water, water en nog eens water en even later de eerste kartonnen dozen, bergen vuilnis en houten hutjes, waar mensen hun leven in doorbrengen. Treurig om te zien en helemaal als je er een paar dagen later achterkomt dat het centrum hartstikke rijk is. De stad is enorm groot met bijna 14 miljoen inwoners, dus het duurde vanaf de eerste sloppenwijken zo'n 1,5 uur om het eindstation in het centrum te bereiken.

Mijn eerste indruk van de stad was warm, zeg maar gerust heet, viezig en druk. Maar gelukkig was Sukhumvit, de wijk waar wij sliepen, buiten die eerste drie om ook erg gezellig. En gelukkig droog. Op een paar zandzakken en de lucht die af en toe uit de riolering omhoog kwam na was er niets meer te merken van de wateroverlast. Alle eettentjes op straat heb ik maar vermeden, maar er bleef genoeg keus over. Van Arabisch tot Italiaans, van Thais tot Koreaans, werkelijk elke keuken is vertegenwoordigd. Niet zo gek als je een paar kilo's zwaarder uit Bangkok weggaat. Maar daar hebben we gelukkig goede voornemens voor.

Een week in Bangkok is best lang als je niet heel veel geld te besteden hebt. En dan voornamelijk als je in het gebied komt waar de grootste shopping malls zijn, zoals Siam en Central World. Ik heb nog nooit zo veel design kledingmerken in een winkelcentrum bij elkaar gezien en dan niet te vergeten de Lamborghini's en de BMW's die te koop zijn op de 2e verdieping. Singapore was er niets bij. In Chiang Mai loopt de gemiddelde volwassen vrouw in een Hello Kitty T-shirt. In Bangkok loopt de gemiddelde volwassen vrouw met een Louis Vuitton tas aan haar arm. Verschil moet er zijn. Maar gelukkig zijn er ook nog genoeg andere leuke plekken in Bangkok en dan met name om uit te gaan, te winkelen, te eten, te drinken en nog meer te eten. Het is niet echt een stad met veel toeristische bezienswaardigheden. Het Grand Palace is mooi, maar als je in het hoogseizoen gaat, moet je er een paar uur wachten in de rij en 10 euro entree voor over hebben. Dat geduld had ik dus niet.

Met de boot zijn we op 1e kerstdag naar Khao San Road gegaan. Met 35 graden en een Joodse collega had ik, buiten de fluoriserende kerstverlichting en de kerstliedjes om, dit jaar niet echt een kerstgevoel. Ik had op kerstavond mijn kerstdiner al gehad, en daar tegenover stond shoarma eten op 1e kerstdag. Want Joden vieren in plaats van Kerst het feest Hanukkah. Ik ben er nog steeds niet helemaal uit of dit serieus onderdeel is van zijn religie of dat hij gewoon erg veel zin had in shoarma, maar dat maakte me allemaal niet zo veel uit. Khao San Road is de Lloret de Mar van Europa. Een verdere toelichting bij deze avond is denk ik daarom overbodig. Het voordeel van een langere tijd in een stad zijn, is dat je geen haast hebt om zo veel mogelijk dingen te zien in een korte tijd en je je dus ook niet schuldig hoeft te voelen als je een dag op bed blijft liggen. Zo zag onze 2e kerstdag er dan ook uit.

Tussendoor nog een beetje gewerkt en een interessante lunchafspraak gehad met een evenementenorganisatie die ons benaderd had via de e-mail. Deze organisatie wil graag Elephant Parade naar Bangkok halen. Het blijft toch apart om zaken te doen met mensen uit zo'n andere cultuur. Michael en ik kwamen in het restaurant aan en ze hadden al eten besteld. Om te delen. Vriendelijk gebaar misschien, maar erg ongemakkelijk voor ons. Geen voorstelrondje, maar gelijk een complete presentatie van wat hun bedrijf voor ons zou kunnen betekenen. Bij het uitwisselen van de visitekaartjes kwamen we er pas achter dat we met de CEO en de marketing manager aan tafel zaten. Na veel informatie, genante momenten en een gratis lunch later, stonden we gelukkig na een uurtje weer buiten.

Een iets betere ervaring hadden we met een Thaise vriendin van Michael die in Bangkok woont. Ze nam ons een avondje mee uit eten en op stap naar één van de hoogste gebouwen in Bangkok. Op de 63e verdieping van het Lebua Hotel is The Tower Club met letterlijk een adembenemend uitzicht! Het duurde even een paar minuten voordat we weer tegen elkaar konden praten. De club is ontzettend populair, mede omdat er een sc?ne uit de film Hangover II opgenomen is. Voor 9 euro kreeg je maar liefst één biertje, dus we waren ook weer snel beneden. Erg handig om op stap te gaan met een local, want ze wist natuurlijk precies waar de leuke oud & nieuw feestjes waren. We hadden kaartjes gekocht voor een feest op een iets minder hoog gebouw, maar zeker niet met een minder mooi uitzicht. Het liefst zou ik zo elk jaar wel willen eindigen en beginnen!

Tot de volgende ochtend..want hoe enthousiast ik het nieuwe jaar een paar uur eerder was begonnen, des te enthousiaster meneer Hangover een paar uur later op de deur klopte. Met een treinrit van 12 uur, wat uiteindelijk 18 uur werd, voor de boeg kon mijn 1e dag van het jaar niet meer stuk. Gelukkig was het een slaaptrein en werden de stoelen 's avonds getransformeerd in bedden. Ik ben nu inmiddels weer in Chiang Mai en mijn eerstvolgende trip is aanstaande donderdag. Dan ga ik voor de laatste keer voor mijn werk naar Singapore. En daarna is het tijd om te gaan aftellen, tot de echte grote vakantie gaat beginnen!